|

|
Peuter: "Kijk eens, buggemulden!"
|
|

|
Peuter zijn rits is stuk. Moet mama
maar lijm op doen.
|
|

|
Peuter: Ik ga gauw naar de basisschool en dan kom ik niet meer.
Juf: Nee, dan ben je geen peuter meer! Peuter:
Nee, dan ben ik een keuter!
|
|

|
Peuter: "Ik ga even naar de Gamma kleertjes kopen."
|
|

|
Peuter: "Ik heb dikzak in mijn
beker." (diksap)
|
|

|
Peuter bracht een mooie bloesemtak mee. De juf
vraagt: “Waar bloeit die tak bij jullie?”Peuter: “Ïn het glas natuurlijk”
|
|

|
Peuter tegen juf: "Hé dikbil, ga
eens aan de kant!"
|
|

|
Peuter: "Mijn vader heeft honderduizend
gil meiden." (vuurwerk)
|
|

|
De juf imiteert een kip “tok,
tok, took, peuter: “Juf we weten wel hoe
een kip doet”.
|
|

|
Er wordt gepraat over de basisschool. Een peuter wil er niet
naartoe: “Het is er niet zo fris?!”
|
|

|
Peuter: "De loopauto is terug naar de apotheek." (speel-o-theek)
|
|

|
Peuter: "Ik had gisteren een tekkel in mijn rug."
(teek)
|
|

|
Peuter vraagt aan de leidster: "Doe jij mijn veter even
dicht anders struik ik."
|
|

|
Peuter: " Wij eten vanavond haktgebal!"
|